God spant zijn regenboog in de wolken

Op de eerste vastenzondag brengt de eerste Bijbellezing ons het verhaal over Noach, de zondvloed en de regenboog.
Velen herinneren zich wellicht nog de grote tsunami van tweede kerstdag 2004, de enorme vloedgolf die in Sri Lanka, Thailand en de buurlanden aan veel mensen het leven heeft gekost en die onmetelijke schade heeft aangericht. Het was het begin van een hele reeks van orkanen en natuurrampen, heel het jaar 2005 door. En ook nog in de daaropvolgende jaren.

In het Nabije Oosten moet ver voor de tijd van Christus ooit een dergelijke natuurramp gebeurd zijn. Of meer dergelijke rampen. Er waren nog geen kranten of tv-beelden. Maar generaties lang hebben mensen daarover verteld en gefantaseerd als een verschrikkelijk gebeuren met zware gevolgen. Zo kwam het verhaal van Noach en de ark in de Bijbel terecht. Een watersnood is uitvergroot tot een ramp die de hele wereld trof. Eén enkele familie op de hele wereld heeft het overleefd.
Daar zit natuurlijk veel verbeelding achter. De schrijver van het verhaal heeft met plezier zijn best gedaan om te vertellen. Hij heeft er vooral een bedenking aan vastgeknoopt, er een boodschap in gestoken. Een vraag namelijk die de mensen bezig hield, en nog altijd bezig houdt: vanwaar komen dergelijke rampen? Hoe kan dat toch? Het antwoord van die tijd, met zijn primitief onwetenschappelijk wereldbeeld was: zoiets is een straf van God. Vreemd genoeg zijn er vandaag nog die zo denken en schrijven. Ook in verband met de coronapandemie.
Maar juist tegen deze opvatting protesteert het einde van het verhaal, met het verschijnen van de regenboog. Het is alsof de Bijbelse schrijver er zelf van schrikt hoe streng hij God heeft voorgesteld. Door te spreken over God die zijn boog spant tussen hemel en aarde, tussen God en de mensen, roept hij een ander beeld van God op: God van verzoening, van verbondenheid met mensen.

[…]

Lees meer in KERK & leven van 17 februari 2021

Pastoor Frans