Onze-Lieve-Vrouw ten hemel opgenomen

Wanneer ik door ons mooie Vlaamse land rijd kan ik er bij wijlen erg om verwonderd zijn dat elk dorp, hoe groot of hoe klein ook, zijn eigen godshuis, zijn eigen kerkje heeft. Ons land is van aan de kust tot diep in de Ardennen bezaaid met een waaier aan kerken en kapellen, in de meest uiteenlopende vormen en formaten. Een wonder op zich! “Wie heeft daarvoor gezorgd?” flitst het dan door mijn hoofd. Wie heeft er de nodige fondsen en bouwstenen voor aangehaald? Wie heeft er de plannen getekend en voor het meubilair gezorgd? Hoeveel water liep er niet door de zee van een dergelijke dorpsgemeenschap eer ze in dagen van glorie en ondergang een thuis, beschutting en vrede kon vinden in haar eigen kerk, met haar eigen nestgeur en identiteit. En dan zwijg ik nog over die schitterende kathedralen die we in onze grotere steden aantreffen. Pareltjes van architectuur en versteend geloof, reikhalzend naar wat boven ligt, hoog uit-toren-d boven alles en iedereen. Als een oriëntatiepunt in weer en wind, als een uitnodiging om te midden van het drukke leven eens stil te vallen, tot rust en bezinning te komen. En dan mogen die eeuwenoude kathedralen geschilderd en getekend worden op duizend-en-één souvenirs, gefotografeerd en gefilmd worden door mensen van over de hele wereld, dan mogen ze op de lijst van ons werelderfgoed staan: ze blijven op de allereerste plaats, huizen van geloof en gebed, met veel energie, zweet en geld uit de grond gestampt om God te loven en elke bezoeker, zelfs de meest gehaaste vakantieganger, tot nadenken uit te nodigen… Maar hoe mooi die eeuwenoude kerken en kathedralen ook zijn, een Indische wijsheid zegt: “Geen tempel zo mooi als je eigen moeder”.

[…]

Gino Grenson

Lees meer in KERK & leven van 12 augustus 2015