Is Jezus ooit weg geweest?

‘Weet ge nog wat die mannen op weg naar Emmaüs hebben meegemaakt?  Terwijl zij, na een voettocht van 12 kilometer, met een zogezegd vreemde man aan tafel aanlagen, in hun eigen huis en deze man voor hen het brood brak en het hun gaf.  Hun ogen werden geopend en ze herkenden hem als hun Heer.  Maar opeens werd hij onttrokken aan hun blik.’ Zo vertelt Lucas (Lc.24,30-32). Maar ze hadden Hem herkend aan het breken van het brood.

Aan het timbre van zijn stem en aan zijn woord was hij ook al eerder herkend door Maria Magdalena, die, huilend bij het graf,  eerst dacht dat het de tuinman was maar door de manier waarop hij haar aansprak hem plots herkende als haar Heer en uitriep ‘Rabboeni’ (Dat betekent ‘Meester’).

Iets gelijkaardig zien de apostelen bij het definitieve afscheid van  hun Heer en Meester.  Waar en wanneer dit gebeurde is niet precies uit de teksten van de Evangelies en de Handelingen van de apostelen op te maken, maar over het hoe en wat schrijven Matteüs en Lucas het volgende: Jezus had tot zijn leerlingen gezegd dat zij hun ogen open moesten houden.  Matteüs beschrijft het afscheid van Jezus zó: ‘Houdt dit voor ogen.  Ik ben met jullie, alle dagen tot aan de voltooiing van deze wereld’. –  Zij blijven nog even kijken, zij staren naar de hemel. Maar  twee nader bijgekomen mannen – misschien waren het engelen – herinneren aan wat Jezus kort tevoren gezegd had: Zij hadden van Hem de opdracht gekregen alle volken tot zijn leerlingen te maken door hen te dopen in de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en hun te leren dat zij zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb.  Daarna heeft Hij hen allen gezegend.  En terwijl Hij hen zegende ging Hij heen.  Zijn lichaam verhief zich van de aarde.  Ze keken Hem na: Jezus, met de handen zegenend uitgestrekt.  Zij stonden onder de zegen van de doorboorde handen.  Die handen werden op Golgotha, bij de kruisiging, doorboord.  En zij hadden niets gedaan.  Ze waren gevlucht, hadden Hem verloochend.  Een groot wonder eigenlijk dat Hij zegende. Als Hij zijn vuist had gebald, of zijn vinger als waarschuwing had geheven, zou dat terecht geweest zijn, heel begrijpelijk.  Maar… dat gebeurde niet. Hij zegende.  Het was het laatste wat ze van Hem zagen, want ineens was daar die wolk die Hem onttrok aan hun ogen.  Wat jammer, dat die wolk er was.  Maar sindsdien is Hij ten diepste gebleven.  Konden wij Hem maar eens zien of aan anderen laten zien.  Je kunt dan terecht wijzen op dat grote wonder: zo staat God tegenover deze wereld, niet met gebalde vuisten, maar met zegenende handen. In die wereld ligt onze opdracht.

[…]

Lees meer in KERK & leven van 28 mei 2014 

Paul Lacaeyse ss.cc